Categorie archief: Gedichten

Tevergeefs

Altijd weer die zelfde koppen,

weer die zelfde kastelein.

Altijd weer die zelfde moppen.

Maar zal zij er dit keer zijn?

 

Het is dat eeuwige verlangen

en ik – d’onzekere, de bange –

ik zit te wachten in een hoek,

laat me echt door niemand stangen;

veins diep opgaan in een boek.

 

Als ik dan te elfder ure

bleek voor niets te zitten gluren

en met een stuk weer in m’n kraag

de barman om de nota vraag

en te laat als ied’re keer

op m’n barrel huiswaarts keer,

stuwt het bloed weer in m’n kruis:

m’n lieve vrouw is gewoon nog thuis!

 

Deventer observaties 1

“Kibbelingûh, lekkere kib-be-ling-ûh!” klinkt het vanachter de eerste kraam. Het is een sober tentje, zeker in vergelijking tot de rijdende keuken van de collega’s uit Spakenburg, die een eindje verderop staat. De twee mannen hebben een strakke rolverdeling: de clown en de knecht. Waar Knecht zijn taak toegewijd en in stilte volbrengt en er zodoende voor zorgt dat de voorraad gebakken vis op peil blijft, geniet Clown van zijn kleine podium. Hij is soms ronduit seksistisch in het aanspreken van zijn clientèle, maar niemand die daar aanstoot aan neemt, want hij doet het met een flair die alle ontluikende boosheid doet verdampen.

“Kibbelingûh, lekkere kib-be-ling-ûh!” klinkt het nogmaals en de laatste vier lettergrepen krijgen net zoveel aandacht als de beide rondborstige dames die zich bij de klanten voegen. “Zo, jongedame, wat heb jij een mooie… boodschappentas!”  Niemand van de andere consumenten klaagt wanneer Clown de mooie nieuwkomers eerst helpt. Het is lekker weer; ook dat scheelt.

Dichterbij

Je waant jezelf een componist druk in de weer met letters en woorden. Niet direct afhankelijk van mooier weer en hogere temperaturen niet opgejaagd door storm of tier of deadline. Je laat je niet vangen in door anderen bedachte vormen en voorschriften maar geeft jezelf voorrang op de kruising de rotonde en de splitsing keert om op een doodlopende weg. Begroet een zich opdringende metafoor en werpt hem weer net zo makkelijk van je. Net zo makkelijk. Net zo makkelijk. Net zo makkelijk. (Je herhaalt jezelf soms omdat je weet dat juryrapporten daar soms lovend over verhalen en je bent daar gevoelig voor.) Maar schrijven om een jury te behagen gaat toch ook jou veel te ver.

De vorm waarin jij soms je gedichten giet is niet of nauwelijks te onderscheiden van regulier proza behalve dan misschien de beperkte interpunctie die het lezen ervan overigens niet veel makkelijker maakt integendeel. Je bent een man van het metrum maar in je prozaïsche gedichten is het toch meer het ritme van de diarree waarin nauwelijks een lijn te ontdekken is maar dat is niet zo erg als dwangrijm of ander ongemak het zij zo. Prijzen zul je er niet mee halen maar door het volgen van de korte lijn naar zijn hart komt de poëet dichter bij zichzelf veel dichter.

Achter het gordijn

Ik inhaleer gepassioneerd

zoals ik dat als te jonge jongen

mijzelf toen heb aangeleerd.

“Dat staat je straks te duur,

want gaat ten koste van je longen!”

sprak mijn moeder nog gedecideerd,

maar waar ik rook, daar hoort toch vuur?

Of zie ik dat verkeerd?

Beknopte kasteelroman

De schoonmaakster van de roofridder

is gisteren overleden.

Toen haar baas had gevraagd

om zijn hele garderobe

van binnen en buiten te reinigen,

bleek dat haar laatste klus.

Om tien voor vijf plaatselijke tijd

is zij in het harnas gestorven.

Ode aan De Blauwe Druif

Ontkomen doe ik er niet aan

van de markt over de drempel
in de kroeg
mijn kroeg.

Het is 1980.
Tussen kleurrijk geklede krakers
en studenten van sociale en artistieke school
de marktkooplui
en de gezinnetjes na het boodschappen doen
voor één bessen, één pils en twee chocomel.
Heeft u er een rietje bij?

Voel me thuis.
Weet dat zij weet dat ik m’n koffie zwart drink.
Vraag Aretha Franklin’s Think;
You need me and I need you.
En heb je voor mij een broodje kaas?

In aluminiumfolie verpakt genot.
Nee, merci.
Voor mij een pils en na de laatste
nog een.

Toch weer laat geworden.
Morgen even vragen
waarom je me geen gedag zei.

Eigenlijk

De Nederlandse taal is mooi

het is een machtig instrument.

Toch houd ik vandaag een warm pleidooi

om uit het rijk’ assortiment

van woorden en begrippen

één van die duizenden te wippen.

Luister naar mijn argument.

 

Eigenlijk, dat is het woord

dat ik vandaag wil wraken.

Let erop, als u het hoort,

als men iets duidelijk wil maken,

in private sfeer of in de krant

dan schept dát woord toch juist weer mist,

en leidt dan vaak tot misverstand

of echtelijk twist.

 

Het kiest niet voor vertrouwen

maar is meer van nuance.

Je kunt er niet op bouwen;

biedt meer uitvluchten dan kansen.

 

Het is niet uitgesproken koud,

of onverdraag’lijk warm,

het is van alles wat, het houdt

wat slagen om de arm.

 

Eigenlijk, dat is onaf;

je kunt er niet op bogen.

Dat woord, dat is een beetje laf;

het is meer van gedogen.

 

Het is niet zwart, het is niet wit,

een antwoord geeft ’t niet, dat woord:

het is het allemaal.

Wat blijkt? Aan ‘t einde van de rit

wijst eigenlijk op zelfmoord,

gewoon suïcidaal.

 

U hebt nu mijn betoog gehoord.

Ik eis kordate stappen:

Rap uit het lexicon dat woord!

Weg ermee. Nu! Schrappen!

De laatste hoop

De buurman van één hoger
heeft z’n tijd gehad.
Twee weken geleden is hij
op z’n gemak
overleden,
nadat de laatste hoop
uit hem was gevaren.
Heeft z’n laatste uren uitgezeten,
en langer. Wie
zat er nog op hém te wachten?

Langzaam maar zeker is hij
op z’n toilet in elkaar geschoven.
Zo zat hij even met z’n navel op
z’n knieën.

Vanmorgen kwam-ie bij ons
naar binnen lopen,
langs de verwarmingsbuizen.
Hij  stonk, zoals gewoonlijk. Anders
hadden we ‘m niet herkend. Nu
ook niet.
Hij was volkomen weggerot. Bloemen
verwelken, schepen vergaan, en
onze bovenbuurman? Onze bovenbuurman ook.

Ach, woonden wij boven hem,
hadden we ‘m nooit meer gezien.