Categorie archief: Gedachten

Afzeiken

Bij de internet-apotheek is een fles ochtendurine te koop. Ik zweer het je. Een handige tool – zoals het hip wordt aangeprezen – voor die momenten dat de medische tak een plasje van je verwacht, terwijl je dan niet kunt of wilt plassen. Of dat je gewoon geen tijd hebt, of er voor wilt nemen.

De urine is gegarandeerd gender-neutraal en er zitten dus geen zwangerschapshormonen in. Er zitten geen sporen in van enge ziektes en in het laboratorium zullen ze dus niets vinden dat ook maar iets verraadt over je gesteldheid. Je kunt het dus gerust gebruiken, want iets vinden doen ze niet.

Nou ja, behalve dan dat je hartstikke mesjogge bent.

Ongemakkelijke overpeinzing

Het volgende gedicht gaat over het ongebreideld delen van intieme en persoonlijke zaken op social media als Facebook en Twitter, en over het misbruiken van het woord respect, wat naar mijn smaak nogal eens gebeurt.

Het lezen van dit gedicht roept wellicht uw weerzin op. Laat ik u open en eerlijk zeggen: dat is de bedoeling.

 

Ongemakkelijke overpeinzing

Mijn poep heeft een strontkleur.

Ik hou niet van strontkleur,

maar daarmee wijs ik mijn poep niet af.

Ik heb juist diep respect voor mijn poep.

Ook voor uw poep, trouwens.

Ik stel het op prijs

als u ook mijn poep respecteert.

Ongeacht de kleur.

Geheel tevreden

“Hebt u ook hoerenhorloges?” vraag ik aan de verkoopster, die wat verveeld haar tijd lijkt uit te hangen tegen de vitrinekast van het warenhuis waar ik zojuist naar binnen ben gelopen. “Eh, u bedoelt herenhorloges?” oppert ze. “Nee, hoerenhorloges. Hebt u ook hoerenhorloges”, herhaal ik. Het wicht trekt haar wenkbrauwen op, zucht merkbaar en staat even letterlijk met haar handen in het haar. Als ze is uitgeplukt, loopt ze behoedzaam naar een ladenkast links van haar en haalt er een cassette met een tiental horloges uit.

Ze stalt ze voor me uit. Met een vriendelijkheid die uit haar tenen komt vraagt ze of dit is wat ik zoek. Ik gun de blingbling-uurwerkjes  nog even een blik en zeg dan geheel tevreden: “Nou zeg, wat een hoerenhorloges. Bedankt hoor, en tot ziens!”

Deventer observaties 4

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

In het biercafé achter De Waag staat een vriendelijke man met het postuur van een jongen, achter de tap zijn klanten te helpen. Hij houdt van zijn product, maar hij ruikt niet naar bier, maar naar gastheerschap en liefhebberij. Het is een kastelein in hart en nieren maar zijn postuur kan de naam nauwelijks dragen. Geen rondbuikigheid, geen platgetreden paden in zijn conversaties, geen drankogen van de vakbroeder die zelf zijn grootste afnemer is.

Het café is vol, zoals altijd. Er klinkt muziek op de achtergrond, zoals altijd. Niemand herkent de muziek, geniet ervan, of stoort zich eraan. Zoals altijd. Iedereen is uit en thuis tegelijk. Zoals altijd.

Deventer observaties 3

Ik sta in de korte rij voor de balie van de apotheek en mijn oog valt op een bordje in de medicijnenkast.  In handgeschreven blokletters staat er: kinderwens. Kinderwens? Ik schiet spontaan in de lach, maar voel me direct gegeneerd, want er is natuurlijks niet grappigs aan ongewenste kinderloosheid. Wat voor medicijnen kan ik hier dan kopen? Zijn het lustopwekkende tabletten voor haar, of middelen die helpen tegen een erectiestoornis van hem?

Het kan natuurlijk zijn dat de akinderwens uitsnedepotheker vrouwen een dienst wil bewijzen die een man aan zich willen binden door middel van een zwangerschap en een daaruit voortkomend kind, terwijl die mannen dat juist niet willen. “Nou mevrouw”, zegt die apotheker , terwijl hij een doosje van het bewuste schap trekt: “dan gebruikt u toch voortaan deze zogenaamde anticonceptiepillen van het merk Placebo?” Maar nee, deze apotheker, mijn apotheker, is een betrouwbare man. Maar een medicijn om een kinderwens mee te vervullen? Eerlijk gezegd denk ik direct: als u een kinderwens hebt, lieve lezers: neuken!

Deventer observaties 2

In het centrum van de markt staat op de kop een groentekraam. Wat heet. Het complex telt wel zes geschakelde kramen, waarachter een zelfde hoeveelheid personeel zich verdringt tussen komkommers en appels, aardbeien en sla, weegschaal en kassa. Albert Schweitzer kijkt van een afstandje op de kraam neer. 

De jongste man in het gezelschap prijst z’n druiven aan op een manier die in de verste verten niet doet denken aan de visverkoper verderop. Hij zal z’n dag niet hebben. Was vermoedelijk liever bij z’n vriendin op de camping geweest. Hij roept dat hij de lekkerste druiven van Deventer in de aanbieding heeft, maar niemand gelooft hem. De druiven zijn pitloos en hij ook.

Het is niet altijd wat het lijkt

Vast wel eens de volgende kop gezien in een krant: ‘Fietser overreden door vrachtwagen’. In die zin is sprake van twee verschillende eenheden. De fietser is de bestuurder of gebruiker van het rijwiel in kwestie. De vrachtwagen is het vervoermiddel zelf. In de formulering ‘fietser overreden door vrachtwagen’ lijkt de vrachtwagen een automobiel in de strikte zin van het woord: een object dat zich zelf kan voortbewegen. In de Nederlandse taal- en letterkunde hebben ze daar een keurige naam voor: personificatie. Er is ongetwijfeld bewust gekozen voor deze personificatie; een kop als ‘vrachtwagenchauffeur rijdt fietser dood, omdat-ie te beroerd is om rekening te houden met z’n dode hoek’ is nogal bruut. En te lang. Dat ook.

Woorden worden zelden willekeurig gebruikt. Vaak is dan ook voor zowel de zender als de ontvanger van de boodschap wel duidelijk wat de betekenis van de gebruikte woorden is. Maar soms ook niet en dan moet ik onwillekeurig denken aan een woord als… willekeurig. Van dat woord wordt met speels gemak de tegenstelling toegepast in formuleringen die dezelfde inhoud moeten voortbrengen. Zet maar ‘ns wat van dergelijke zinnen, geheel willekeurig, of volstrekt onwillekeurig, net wat u wilt, op een rij. Er is wel degelijk een verschil, maar in de spreektaal doen we net alsof-ie er niet is. En dat doen we dan willekeurig, dus ‘door willekeur bepaald, arbitrair (Van Dale) of juist onwillekeurig, ‘niet opzettelijk, onafhankelijk van de wil’ (ook Van Dale).

Nog zo’n voorbeeld. Ofschoon ik me geen grotere tegenstelling kan voorstellen dan die tussen ‘voor’ en ‘tegen’, blijkt dan lang niet altijd het geval. Wat te denken van de volgende zinnen: ‘Ik ben tegen half acht bij je’ en ‘Ik ben voor half acht bij je’. Oké, ‘voor half acht’ is een ruimer begrip, maar je zult er in beide gevallen niet gek van opkijken als de ik-figuur om kwart over zeven komt aanlopen. Tenzij het een vrouw is natuurlijk.

Vooruit, nog een laatste. Als iemand wordt beschreven als ‘een onguur type’, ga ik ‘m liever uit de weg. (Vrouwen worden niet vaak als ongure types aangeduid.) Maar als er sprake is van guur weer blijf ik ook liever thuis. Een etymoloog zal me vast het verschil kunnen uitleggen, maar die bleef misschien ook veel liever thuis.

Rouwmotto

“In alle eenvoud was je heel bijzonder.” Die tekst kwam ik onlangs tegen in een rouwadvertentie en ik werd overvallen door plaatsvervangende schaamte. Ik moet er toch niet aan denken dat de evaluatie van mijn leven zal leiden tot het opnemen van die of een soortgelijke regel in het juryrapport.

Nee, dan het motto dat menigeen heeft geleend uit ‘De grijsaard en de jongeling’ van Marsman: “Groots en meeslepend wil ik leven!” De jongeling uit de titel voegt dat zijn ouders en anderen toe: “hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!” Een prachtig vormgegeven devies. Hij slaat alle goede raad van zijn ouders (en de wereld) in de wind en stapt helder en zonder vrees de toekomst tegemoet. Of hij geslaagd is, vertelt het gedicht verder niet, maar dat doet er ook minder toe. In zijn poging om anderen te bewegen om hun hart te volgen, is Marsman in ieder geval geslaagd, wat mij betreft. Maar “groots en meeslepend” is mijn leven tot nu toe ook weer niet geweest, ofschoon ik vaak mijn hart heb gevolgd. (Ook waar anderen soms gewenst hadden dat mijn verstand zou prevaleren.)Een tekst als “Born to be wild” vind ik wel aansprekend, maar ‘wild’ is nu ook niet bepaald de juiste typering in mijn geval.

In de inleiding van mijn bundel ‘Je vergist me’ schreef ik over mijn favoriete dichtregel van Herman Brood: “Ik hoop dat ik stoor”.  Ik heb die – zoals ik ook toen schreef – altijd geïnterpreteerd als “Ik wil er toe doen”. Brood is daar zeer in geslaagd en ik ben er door geïnspireerd. Uiteraard heb ik er m’n eigen slinger aan gegeven. Een plaatsje in de rock ’n roll was voor mij niet voorbestemd en ook in de beeldende kunst zal ik niet te veel sporen achterlaten. Maar evenals Brood meer was dan menigeen weet, ben ik wel dichter en schrijver. Wat mij betreft wordt daar wel aan gerefereerd in mijn rouwadvertentie, zodra (en niet eerder!) het zover is. En dan ook graag met een verwijzing naar mijn gevoel voor humor, die mij in ieder geval lang op de been heeft gehouden.

Ofschoon ik niet over mijn dood heen wil regeren, heb ik wel een dubbelzinnige suggestie, met een knipoog naar de Gemeentelijke Basisadministratie: Eugen de Reuver – uitgeschreven.

Evidenten

Ik kwam laatst het woord ‘obsoleet’ tegen. Dat betekent: in onbruik geraakt. Maar niemand kent dat nog – ik moest het ook opzoeken- en dat is nogal wiedes, want het is immers in onbruik geraakt. Ik vond dat grappig, een woord dat betekent wat het is. Het komt dicht in de buurt van ‘what you see is what you get’. Ik noem het evidenten. Ik ben toen op zoek gegaan naar meer van dat soort woorden. Extreemlangewoordengebruik is er ook zo een. En wat te denken van etymologie? Dat is het deelgebied van de taalkunde dat de herkomst van woorden bestudeert. Het wordt echter ook gebruikt, hetzij niet terecht, als ‘het verklaren van moeilijke woorden’. Daarmee verdient het toch een plaatsje in de evidentenlijst.

De stijlfiguur oxymoron is ook een prachtig evident. Bij een oxymoron worden twee woorden die elkaar tegenspreken gecombineerd tot een enkel begrip (oud nieuws, grote kabouter). Het woord oxymorons komt uit het Grieks en is afgeleid van de woorden ‘oxys’, wat slim betekent en ‘moros’, wat dom betekent. Het is dus zelf ook een oxymoron.

Slissen lijkt ook een mooie evident en ongetwijfeld ook met het doel gemaakt om aan te tonen wat je bedoelt, evenals sissen, zoemen en rinkeldekinkel, maar deze woorden zijn voorbeelden van  de stijlfiguur ‘onomatopee’ of klanknabootsing.

Mijn lijstje van evidenten bestaat vooralsnog uit vier woorden en dat is teleurstellend. Ik heb uw hulp nodig om dat lijstje aan te vullen. Doet u mee?

Openingszin

“Goedemorgen mevrouw”, zegt de voedingsassistente tegen mijn vrouw, die op de kraamafdeling ligt. “Wat wilt u morgen eten? We hebben baklever en bloedworst”, glimt ze van trots, alsof ze die menukeuze hoogstpersoonlijk voor de poorten van de hel heeft weggesleept. D. heeft net weer een infuus aangelegd gekregen met weeënopwekkende medicijnen en voelt zich uiterst beroerd. Het laatste waar ze mee geconfronteerd wil worden is een keuze tussen baklever en bloedworst.

Ik moest daaraan terugdenken toen het product uit die periode, mijn inmiddels 17-jarige dochter, de uitslag zou krijgen van haar exameninspanningen. Ze zou worden gebeld tussen twaalf en twee en om kwart voor één ging de telefoon.

“Dag Nina, ik heb slecht nieuws voor je”, zei haar mentor. Het arme kind kreeg een hartverzakking en het bloed in mijn gezicht trok ook direct weg. “Door een technische storing kan ik je de uitslag nog niet meedelen; die verwachten we nu pas om een uur of drie”.

De openingszin, het is een verschijnsel dat niet alleen aandacht verdient in de communicatie tussen potentiële liefdespartners, in de discotheek of de supermarkt.

M’n dochter is overigens geslaagd. Nu haar mentor nog.